Kaweco stond ooit aan de basis van zelfrijdende hakselaar Claas Jaguar
De zelfrijdende hakselaar Claas Jaguar kent iedereen, maar niet iedereen kent z’n oorsprong. Voordat de Jaguar op de markt kwam, bouwde importeur Kamps de Wild onder de merknaam Kaweco al zelfrijdende hakselaars. Hoe is die hakselaar ontstaan en wat was de betekenis ervan voor de ontwikkeling van de Jaguar?
Vlak na de Tweede Wereldoorlog kwam de maisteelt in Nederland op. Er was gebrek aan alles, en mais was een veelbelovend voedergewas voor het (melk)vee. Maar op welke wijze kon je dit snel groeiende maisareaal het meest effectief oogsten?
Zoals vaak gebeurde net na de oorlog, kwamen de innovaties overgewaaid vanuit de Verenigde Staten. Aanvankelijk werd de mais dus gehakseld met getrokken hakselaars die konden worden uitgerust met een graspick-up of een één- en later tweerijïge maisbek. Trekkers beschikten in die tijd nog niet over een hoog motorvermogen, dus was die tweerijer ook wel het maximaal haalbare. De loonbedrijven redden zich ermee.
Getrokken hakselaars hadden in de mais een groot nadeel, en dat was het losmaaien van de percelen. Behalve platrijden was er geen andere optie dan de stengels in de buitenste rijen met een kapmes af te hakken en met de hand in de hakselaar in te voeren. En dat wilde je liever niet. Ook speelde al snel de behoefte aan een grotere capaciteit van de hakselaar. De combinatie van vlotter losmaaien en een hoger motorvermogen maakte dat klanten vroegen naar een zelfrijdende hakselaar.
Europese zelfrijder
Kamps de Wild, toen nog regio-importeur van Claas, had veel loonbedrijven met een Claas-maaidorser als klant. Een leuk weetje: eind jaren zestig verkocht Kamps de Wild 129 combines in alleen Gelderland en Overijssel. Dat waren nog eens tijden!
Deze combineklanten zagen het maisareaal groeien en daarmee groeide de vraag naar professionele oogsttechniek. Ze hadden wel eens foto’s gezien van zelfrijders in de Verenigde Staten, maar een echt Europese oplossing was niet voorhanden. Een aantal medewerkers bij Kamps de Wild, onder leiding van Jan Lodder en Ben Veldkamp, zag eind jaren zestig de genoemde ontwikkeling eens aan: “Als het er niet is, dan maken we het zelf, we hebben immers al toegang tot de meeste belangrijke onderdelen.”
Lees verder onder de foto’s
Beproefde componenten gebruiken
Claas bouwde al sinds 1961 een getrokken hakselaar: de FH (Feldhäcksler). Daar zat een hakselunit in van Speiser en een graspick-up van Bautz, twee toeleveranciers die Claas later overnam. De hakselunit had een invoerpakket met vier invoerrollen en een messenkooi met acht messen. Claas leverde hiervoor ook een een- of tweerijige maisbek. Midden jaren 60 ontwikkelde de fabrikant een hydrostatisch aangedreven vooras voor de Dominator 80-maaidorser. De marketingafdeling van Kamps de Wild schreef dan ook vol trots in de folder: ‘De machine bestaat voor 95% uit Claas-onderdelen, hetgeen een groot voordeel is wat betreft service en onderdelenvoorziening.’
Na goedkeuring van de heer Gijsbers, de toenmalige eigenaar van Kamps de Wild, konden de techneuten aan de slag. Ze deden dat niet alleen, maar zochten contact met een aantal gebruikers om de wensen uit de praktijk mee te kunnen nemen in het ontwerp. Namen die naar voren komen zijn de loonbedrijven Winkelhorst in Rekken, Gerritsen in Heelsum en Gebr. Jakobs in Geijsteren, maar het zullen er ongetwijfeld meer zijn geweest.
De keuze viel op een 120 pk Perkins-motor die destijds ook in de Claas-maaidorser zat. Deze werd dwars op de rijrichting geplaatst. Zo konden alle componenten van de haksellijn met V-snaren direct worden aangedreven zonder haakse overbrengingen. Dit concept vinden we nu nog steeds in de Jaguar-hakselaars en bij een aantal concurrenten.
Van getrokken naar zelfrijder
Zoals gezegd is de hakselunit van de Claas FH gemonteerd, plus een extra blower om de werpkracht te vergroten. De hakselaar moest de mais bij het losmaaien van een perceel immers over de kont heen blazen. Om silagekippers vlotjes aan te kunnen pikken ontwikkelde Kaweco een hydraulische oppikhaak. Die is tot vér voorbij de eeuwwisseling internationaal geleverd aan bijna alle merken hakselaars.
Er zat nóg een Nederlands tintje aan de machine: de cabine werd in Apeldoorn gebouwd. De mannen van Kamps de Wild hadden ook een Claas-cabine kunnen monteren, maar die was aan de brede kant en erg lawaaiig. Het verhaal wil dat het geluidsniveau ook in de Nederlandse cabine boven de 100 dB(A) was! Geen nood: de machine was ook zonder cabine te koop, want daarvoor betaalde je een meerprijs van 2.500 gulden. Over prijzen gesproken: de basismachine stond in de prijslijst voor 59.000 gulden (rond €26.775). Voor een tweerijige maisbek betaalde je 7.150 gulden (circa € 3.250) en een pick-up kostte 3.975 gulden (€1.800).
Vier keer zo snel
Natuurlijk moesten nog allerlei technische uitdagingen worden overwonnen met toerentallen, aandrijfkrachten, hydrostatische rijaandrijving enzovoort. Op de achtergrond kregen de mannen hulp van bevriende Claas-ingenieurs. De ontwikkeling ging zó voorspoedig dat klanten er lucht van kregen. Ze remmelden massaal aan de poort om er een te kopen. In het eerste jaar zijn er ruim twintig gebouwd, veel meer dan gepland. Kamps de Wild nam hiermee een groot risico.
Het gebruik van de bewezen componenten, en vast en zeker ook een beetje geluk, zorgde ervoor dat de hakselaars het heel goed deden. De klanten waren over het algemeen zeer tevreden. Ze konden hun capaciteit meer dan verviervoudigen tot zo’n 5 hectare per dag en hadden een machine waarmee ze probleemloos percelen konden losmaaien.
De hakselaar werd een succes en in totaal zijn er ongeveer 80 van gebouwd, waarvan nog steeds een aantal werkt. Het team werkte nog aan een groter type met twee hakseltrommels, twee tweerijige maisbekken en een Fiat-scheepsmotor – de Maisjet 4000. Daarvan is er maar een gebouwd, die een aantal jaren heeft gedraaid. Claas was echter zelf begonnen met de ontwikkeling van de Jaguar. Kamps de Wild besloot de productie van de Kaweco te stoppen en zich als Claas-importeur te concentreren op de hakselaars uit Harsewinkel.
Werkingsprincipe staat nog steeds
Het verhaal gaat dat Claas alle uitvindingen van de Kaweco-hakselaar overnam en zo een vliegende start maakte. Claas keek wel degelijk goed naar de Kaweco-hakselaar, maar maakte ook eigen keuzes. Zo koos de fabrikant voor de eerste Claas-zelfrijder, de Jaguar 60 SF, weliswaar dezelfde dwarsgeplaatste motor maar in plaats van de hydrostaat kreeg de Jaguar 60 SF een handgeschakelde drieversnellingenbak. Vanaf de Jaguar 80 SF in 1975 is de aandrijving hydrostatisch. Vanwege de gewichtsverdeling door zwaardere voorzetstukken werd de motor van de 80SF en van de opvolger Jaguar 600-serie in de lengterichting gemonteerd. Sinds de introductie van de Jaguar 800-serie in 1993 hangt de dieselmotor er overdwars in met een directe aandrijving van de haksellijn.
De bedenkers van de Kaweco-hakselaar hadden het dus nog niet zo gek gezien! Ze bouwden de eerste Europese zelfrijdende hakselaar, waarvan de principes nog steeds overeind staan. Ook al hebben de Claas Jaguar-hakselaars tegenwoordig tot tien keer zoveel pk’s en acht keer zoveel werkbreedte.
Gerelateerde tags: Claas, Hakselaars, Jaarboek, Kaweco, Oogstmachines