Rooien op hoog niveau: zelfrijdende lelierooier op 2,3 meter hoge wielen
Machinebouwers Wout en Elian Geurts ontwierpen en bouwden een zelfrijdende lelierooier. Het rooikanaal wijkt in veel opzichten af van de norm en er passen 2,3 meter hoge wielen onder. Een impressie van deze doordachte machine.
Gekscherend noemen de machinebouwers de zelfrijdende bloembollenrooier intern nog ‘de KLM’. Vanwege de blauwe kleur, de hoogte en de afvoerbanden die als vleugels aan weerszijden uitklappen. De broers Geurts in Oostrum (L.) moeten nog een officiële naam bedenken voor hun meest recente ontwikkeling: een zelfrijdende lelierooier.
De machinebouwers begonnen met een leeg vel papier en tekenden daarop de in hún ogen ideale lelierooier. Dat betekent: 2,30 meter hoge achterwielen voor een nat najaar, geen steile elevator die de rooicapaciteit beperkt vanwege terugrollende bloembollen en een rooikanaal dat beschadigingen aan de kwetsbare bollen beperkt.
Lees verder onder de foto’s en kader
Ruimte voor hoge 750/75 R46-banden
De broers Geurts pasten al eens een verouderde Amac-zelfrijder aan voor het rooien van bloembollen, ze zaten ook wel eens zelf achter het stuur. Met die ervaring, en het ouder worden van de Amac, kwam dit grote project in beeld.
“De oude Amac heeft twee grote beperkingen”, legt Wout Geurts uit. “Ten eerste: er passen geen hoge wielen onder, terwijl het rooien gebeurt van november tot kerst. En twee: de steile elevator beperkt de capaciteit. Als je die te vol laadt, dan rollen de bollen terug over de meenemers.” Geurts vond een oplossing door de 1,8 meter brede, derde rooimat als ‘elevator’ te gebruiken. Daardoor is er ruimte voor 750/75 R46-banden. Ook kan de dwarsafvoer, waar de productstroom een kwartslag draait, horizontaal blijven.
Derde rooimat voor hoogtemeters
Het 155 centimeter brede rooikanaal telt vier matten plus een dwarsafvoer. De rooibek bestaat uit twee losse matten. In de overgang zit 10 centimeter valhoogte om de grondstroom te breken en er is een klopper gemonteerd. Die beperkte valhoogte is mogelijk doordat Geurts op deze positie rollen gebruikt met een kleine diameter (80 millimeter uitwendig). Die rollen zouden te weinig grip hebben voor de aandrijving van de rooimatten. Daarom verplaatst Geurts de aandrijving met een extra as voorzien van grotere rollen (200 millimeter) waar de mat omheen wordt getrokken.
Een derde spijlenband zorgt voor de hoogtemeters. Het vullen daarvan gebeurt ook met een beperkte valhoogte dankzij een kleine roldiameter. De bollen stijgen hier vlot naar bijna 4 meter hoogte. Een vierde mat zorgt voor verdere reiniging (met kloppers). Deze loopt, afhankelijk van de gewenste loshoogte, vlak of onder een flauwe hoek omhoog, tot op de dwarsafvoer.
Vernuftige dwarsafvoer
De dwarsafvoer is vernuftig. Deze bestaat uit vijf delen en volledig uitgeklapt is hij 8 meter breed. Het vernuft zit ’m erin dat hij naar beide kanten kan lossen en 1,2 meter naar beide kanten kan verschuiven. Het geheel hangt in een zelfdragend frame met een draaikrans. Met andere woorden: je kunt vanuit de rooier een naastrijdende kipper netjes afladen. Vanuit de (draaibare) cabine, die tot maximaal 5,4 meter hoogte heft, heb je er goed zicht op.
Voor transport klapt de dwarsafvoer aan beide kanten omlaag. Als je langs een bomenrij rooit, is het mogelijk om één kant in te klappen (dan is de schuifmogelijkheid beperkt). Detail: omdat de productiestroom over het motorcompartiment gaat, is hier een soort bodemketting gebouwd die zeefgrond áchter de machine deponeert.
Armleuning uit Fendt Katana-hakselaar
De cabine kan draaien en kan omhoog tot maximaal 5,4 meter. Slechts zelden wordt de maximale slag van de cilinders gebruikt, omdat op die grote hoogte de machine minder stabiel aanvoelt (kraaiennest-effect) én omdat oogcontact maken met de ernaastrijdende chauffeur dan lastig wordt. De cabine komt van de Italiaanse leverancier Lochmann, de armleuning uit een Fendt Katana-hakselaar.
Geurts koos voor die armleuning omdat het bedienen van een hakselaar (of maaidorser) overeenkomsten heeft met het rooien, en er zijn veel proportionele ventielen aanwezig. “Het was niet makkelijk om de Canbus-communicatie te achterhalen”, vertelt Wout lachend, “maar gelukkig is ook dat gelukt en hebben we uiteindelijk een werkende armleuning die vrij bekend is in de agrarische sector.”
De mannen hebben waar mogelijk de knoppen op de armleuning voorzien van nieuwe symbolen. Met de rijhendel kun je versnellen, vertragen en een cruisesnelheid activeren. En slim: als je een knop op de rijhendel indrukt, kun je door te bewegen met de rijhendel de afvoerband bedienen, totdat je de knop weer loslaat. Ook kun je op de kopakker met één druk op de knop de rooirichting wijzigen, waarna de hondengangbesturing, de draairichting van de afvoerband en de sideshift van de vooras naar de juiste instelling gaan.
Rooier op 2,20 meter spoor
De rooier staat op 2,20 meter spoor (3 meter buitenwerks). De lelies staan op 1,80 meter brede plantbedden. De machine is daarom voorzien van hondengangbesturing, zodat het achterwiel niet over het naastliggende plantbed rijdt.
De vooras heeft een sideshiftfunctie, zodat de rooibek ondanks de hondengang midden in het plantbed rooit. De achteras is voorzien van hydraulische vlakstelling – daarmee de rooibek vlak houdend ten opzichte van het te rooien bed.
Acht pompen
De ruim 400 pk sterke FPT-motor ligt net voor de achterwielen, dwars op de rijrichting. Aan de linkerkant staat de radiateur, rechts zijn er acht pompen: twee CC-hydrauliekpompen voor de rijaandrijving en zes OC-pompen voor de hydraulische functies. Dat lijkt overdadig, maar daardoor heeft de rooier met 900 motortoeren al voldoende olie om alle hydraulische functies te voeden.
Ook voor de rijaandrijving bedacht Geurts een handigheid. Het punt is: de rooier moet zo’n 30 km/u over de weg rijden en 0,5 km/u op het land. Dat laatste betekent in de praktijk één omwenteling van het achterwiel per minuut. Met een standaard plunjermotor in combinatie met een planetaire eindvertraging is dat snelheidsverschil lastig. Daarom kiest Geurts voor SAI-wielmotoren met een variabel slagvolume.
De rijaandrijving bestaat uit twee circuits: er is een pomp voor links en een pomp voor rechts, die onder normale omstandigheden zijn verbonden. Onder zware omstandigheden wordt deze verbinding verbroken waardoor één achterwiel gekoppeld is aan één voorwiel. Indien één van de twee gaat slippen, passen de Limburgers een slim trucje toe: door bij het slippende wiel (elk wiel heeft een toerentalsensor) het slagvolume te verkleinen, neemt de trekkracht van het slippende wiel af, waardoor de olie ook naar het niet-slippende wiel wordt gestuurd. Het voordeel is dat er in het rijcircuit geen extra componenten zijn toegevoegd die onder zware omstandigheden stromingsweerstand geven. Het maximale koppel per achterwiel zou 41.240 Nm zijn.
Aslast omlaag
Aan de voorzijde, in het frame, zijn twee dieseltanks (in totaal 680 liter) geplaatst en twee olietanks. Van beide één aan elke kant, voor de gewichtsverdeling. De tanks zijn naar voren gehaald om gewicht op de vooras te krijgen. Met volle tanks is de aslast voor 6 ton, achter is dat 15 ton. Met een lokale ontheffing mag de machine daarmee de weg op.
De broers zien echter wel mogelijkheden om, mocht er een tweede machine volgen, de aslast tot onder de wettelijke 12 ton te krijgen. Een belangrijk punt daarbij is het laten vervallen van de draaikrans. Bij gangbare rooiers wordt die soms gebruikt om de elevator schuin onder de aanvoerband te zetten, voor een betere verdeling over de breedte van de band. Maar in de praktijk blijkt dat het schuinzetten van de band bij de Geurts-rooier niets toevoegt qua capaciteit of vermindering van beschadiging. De draaikrans dient vooral om een naastrijdende kipper af te laden of te corrigeren. “Die luxe weegt niet op tegen de kosten en gewichtstoename. Dus wat ons betreft laten we die bij een volgende machine vervallen om de aslast te verlagen”, aldus Wout.
Gerelateerde tags: Oogstmachines, rooiers